Monument voor de Onbekende Consument.
Ademloos van de kille wind loop ik (eerst eens), zoals dat tijdig is in het schema der semi-dagelijkse tred naar de Kantoortuin, langs Station Blaak. Reikhalsend kijk ik onder de vleugels van het Bord, in het nest van de Onbekende Consument. De map, is weg, maar waarheen?
Wellicht nam een voorbijgaande hangbejaarde de map mee, op weg naar de nabijgelegen Mac. Hier laaft zij zich elke ochtend, vlak na openingstijd, aan de koffie en de mensen en de dingen die aan haar voorbij gaan. In de map kan zij nu krabbels doen, om zich een houding te geven.
Vervuld van de mogelijke antwoorden op dit raadsel zie ik nog een schat, aan de voet van het Monument.
Een Gouden Gids.
Gebruikt de hier residente mede-consument deze gids voor het plannen van zijn koopstrategieën? Dienen de gele bladen voor de bibs, de Gids als rol? Het is niet onmogelijk dat de Consument zijn hoofd ’s-nachts rust op de gouden gloed van dit Oude Testament der consumptie, dromend over online winkelen op de oude pc van zijn verloren moeder.
Ik schud mijn hoofd nog in de lift, die mij opheft tot in de Kantoortuin, waar mijn mede-consumenten zich laven aan de zoete melk van de Hoer van Babylon.
Succesvolle aap.
Vanochtend prijkte er een regenboog over de prachtige, vanaf de Willemsbrug te Rotterdam te aanschouwen skyline van deze van dichtbij toch wel erg lelijke stad. Met de zon in de rug de kantoortuin tegemoet – weer een dag, wordt het wat?
En route tref ik, zoals bijna elke morgen, een slaapzak, een map met van gepaste afstand schijnbaar onbeschreven ruitjespapier, plastic tasjes en meer dingen die ik nu alweer ben vergeten, dit alles aan de voet van een groot reclamebord, pal tegenover Station Blaak. Wat het bord meldt weet ik niet; net als op het wereldwijde web kijk ik door of langs reclame, en voel mij daar wel bij.
Rotterdam krijgt een nieuwe burgemeester, de heer Aboutaleb, een naar ik heb gelezen uiterst succesvolle, welbesproken en betrokken man, dus dat zit wellicht wel goed.
Het probleem zit hem natuurlijk in “succesvol”.
Wat drijft individuele mensapen om succesvol te willen zijn? 76 jaar leven, zo om en nabij: een groot deel van de daarmee aan een individu beschikbaar komende tijd wordt gevuld met slapen en suffen. Een niet onbelangrijk deel met eten en afwassen, lichamelijke functies en verlangens, tv-kijken danwel achter de PC zitten, misschien sporten en wellicht een vakantietje. Een enkeling gaat zich te buiten aan illegale substanties en handelingen.
Men schijnt te kantklossen.
Zoveel te doen, waarom “succesvol zijn”? Dit eist commitment, ego en een niet aflatende wil, gehard tegen het falen van anderen. Een grenzeloos vertrouwen in het eigen kunnen en willen die, na grote successen, wordt gevolgd door de dood en je, postuum, succesvol schijnt te zijn geweest.
Wat een moeite voor zo weinig.
Het zal mijn gebrek aan ambitie zijn, mijn luiheid, mijn altijd groeiende gevoel van grenzeloze zinloosheid. Succesvolle mensen zijn anders. Maar dat vertelt me niet wie er slaapt tegenover Blaak, wie het ruitjespapier onbeschreven laat. Nu is het 16:48 en de vergetelheid lonkt.
Boerenbedrog!
Uw tuinier heeft U bedrogen, minstens door een dag over te slaan.
Maar de kantoortuingrind gaat verder, onder de eindeloos ratelende klopboor boven het goedkope, van “nog monteren op goede maat”-graffiti voorziene systeemplafond. De zon beschijnt het dikke web van neergeslagen vuil op de ramen en verhult het lang geleden door Bordewijk al beschreven grijze Blok aan de overzijde van een ongebruikt parkeerdak en mistroostig beplant tussenwandeltje.
De tuin klikt en tiept en er klinkt getjilp van mobilia. Sterven is hier niet plots, maar een over decennia uitgesponnen onvermijdelijkheid. De lege bekertjesboom op mijn bureau groeit gestaag. Hij zal eindigen in de daarvoor bestemde bekertjesbak, een steriele wortel die nooit zal uitgroeien.
De Constante Tuinier.
Veertien bruine vogels, daar kan de schoorsteen wel weer even van roken.
Dorre onkruidjes, ik en mijn collega’s, dertien man en één vrouw met één been, hunkerend naar de zon die brandt boven De Kantoortuin, tussen de grijze betontorens, achter de grauwige smog en wolken. Wanneer ik de dorstige medekruidjes besprenkel met bekertjes automaatkoffie waan ik mij de Kantoortuinier. Onkruid vergaat niet.
Maandag 6 oktober 2008. Ik voeg mij om 6:30 bij andere vroege vogels in de migratie naar Tuinen, dichtbij of ver. Het is nog donker als ik de korte wandeling van forensenhuifkar naar bureaustoel maak, de hel der herhaling. Men praat over voetbal, over een brand, ergens, over kinderen en de zorgen. Luide beltonen gonzen in mijn oren, mijn ogen dof in de hatelijke straling der tl-balken. Ik wacht op “goedemorgen”, vòòrdat ik mijn deel van het sociale contract vervul. Beter op de eigen grond verder te groeien, een stukje richting haat, een stukje richting verlichting.
Morgen weer.